Op 26 augustus stortte een berghelling op meer dan 5 kilometer hoogte ineen. Een enorme massa ijs en rots viel bijna anderhalve kilometer naar beneden en werd een vloedgolf van puin, modder en water die met snelheden van boven de 180 kilometer per uur over het gebied stroomde. De ramp kostte meer dan 1.300 mensen het leven en nog eens 5.000 mensen zijn vermist.
Een internationale groep wetenschappers, waaronder hoogleraar Walter Immerzeel van de Universiteit Utrecht, heeft onderzocht welke factoren hebben bijgedragen aan de gebeurtenis. Ze wijzen op een combinatie van factoren:
* Een eerdere aardbeving in Nepal in 2015, die de bergwand instabiel maakte en mogelijk breuken in de rots veroorzaakte. Sindsdien nam het aantal kleine aardverschuivingen toe. * De opwarming van de aarde, waardoor de Himalaya gemiddeld bijna 2 °C warmer is dan vóór de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen. De grens waar water bevriest verschuift, waardoor permafrost afneemt en gletsjers krimpen. * Het smelten van gletsjers en het ontdooien van water in de rotsbreuken, gevolgd door herbevriezing. Deze cyclus maakt de rotsen nog instabieler. * Grote sneeuwval in oktober van het voorgaande jaar, gevolgd door warme periodes die smeltwater opleverden.
Immerzeel vergelijkt het mechanisme met een eerdere ramp in India, maar benadrukt dat de huidige aardverschuiving vijf keer zo groot was als die in 2021. "Ik denk dat dit een ramp is zonder precedent," aldus de professor.
Hoewel de onderzoekers de exacte bijdrage van elke oorzaak niet kunnen kwantificeren, benadrukken ze dat de combinatie van seismische activiteit, klimaatverandering en lokale geologische processen de basis vormde voor de verwoestende gebeurtenis.














