Julio José Iglesias de la Cueva, geboren op 23 september 1943 in Madrid, groeide op in een welgestelde Galicische familie zonder artiesten in het verleden. Zijn eerste ambitie was voetbal; als tiener was hij doelman in de jeugdopleiding van Real Madrid en studeerde hij rechten.
Een ernstig verkeersongeval in 1963 maakte hem ernstig gewond en beëindigde zijn voetbalcarrière. Tijdens de revalidatie kreeg hij een gitaar van een verpleger, wat de basis legde voor een muzikale loopbaan.
Op 17 juli 1968 won hij het Festival Internacional de la Canción in Benidorm met het nummer “La vida sigue igual”, waarna hij bij Columbia tekende en een jaar later het debuutalbum “Yo Canto” uitbracht. De jaren zeventig en tachtig brachten wereldfaam met hits als “Gwendolyne”, “Manuela” en “Un canto a Galicia”.
In 1984 brak hij de Engelstalige markt door met het album “1100 Bel Air Place”, met duetten met Willie Nelson en Diana Ross. Hij zong voor koningin Elizabeth II en opende de Olympische Spelen van Seoel in 1988.
In 1979 vestigde hij zich officieel in Miami na een miljoenencontract met CBS International en ontwikkelde hij later een landgoed in de Dominicaanse Republiek en een eigen eiland op de Bahama’s. Zijn band met Spanje bleef bestaan; hij kocht een villa in Galicië in 2019, maar verkocht deze het jaar daarna.
In 1971 trouwde hij met Isabel Preysler, waarmee hij drie kinderen kreeg, waaronder de wereldberoemde zanger Enrique Iglesias. Na de scheiding ontmoette hij in 1990 Miranda Rijnsburger, een Nederlands fotomodel, en samen kregen ze vijf kinderen.
Ze trouwden in 2010 in Marbella. In 2019 erkende een Spaanse rechter Javier Sánchez Santos als negende kind uit een eerdere relatie.
Iglesias heeft wereldwijd meer dan driehonderd miljoen platen verkocht en zingt in veertien talen. Zijn grootste klassiekers zijn onder andere “La vida sigue igual”, “Gwendolyne”, “Manuela” en “Un canto a Galicia”, naast internationale hits als “To All the Girls I’ve Loved Before”.














